Vlaams Pleitgenootschap bij de balie te Brussel
Vlaams Pleitgenootschap bij de Balie te Brussel vzw
Justitiepaleis, Poelaertplein, 1000 Brussel
T. 02 508 65 83 - F. 02 508 65 82
KBO-nummer: 0408.508.372
info@vlaamspleitgenootschap.be
WelkomActiviteitenOpeningszittingPermanente vormingPoelaerpleinContact

Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player

Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player

Toespraak van de Stafhouder 2009

 
Onlangs ging ik eten bij een magistraat, waarvan ik al verschillende keren een uitnodiging had moeten weigeren. Gekomen in het tweede jaar van mijn mandaat, besliste ik evenwel er nu op in te gaan. Ik kwam toe in een statig herenhuis in één van de mooie wijken van Brussel. Hij ontving me op een zeer hoffelijke en sympathieke wijze, en de avond verliep dan ook in een goede stemming. We spraken over alles en nog wat. De gerechtelijke hervormingen. Hij was zelf Raadsheer bij het Hof van Beroep, en had begrip voor de kritiek die ons Hof nu moest doorstaan, maar verwonderde zich toch over eenzijdige berichtgevingen. Anderzijds vond hij de plannen om te hervormen waarschijnlijk een onafwendbaarheid, mede gelet op complottheorieën, die op niets steunden, vond hij, zoals dit altijd wel het geval is met complottheorieën.

 

Maar toch. Hij vertelde me dat vroeger, toen de politiek zich nog niet om het gerecht bekommerde, er een gezapige gelatenheid heerste bij het Hof. Nu voelde hij veel meer spanningen, ja ja ook tussen raadsheren. Er waren zelfs rivaliteiten! Indien er dan toch moest hervormd worden, welja dan, hoopte hij toch dat er iets met die achterstand ging gebeuren.

 

Ik antwoordde hem dat ik vond dat zijn beroep waarschijnlijk zeer moeilijk was, zelfs lastig.

 

Niet zoals u zich dat inbeeldt, antwoordde hij me: op de manier waarop wij onze taak vervullen kan dit zelfs beschouwd worden als een plezier. Zo zou het ook moeten blijven, zei hij, maar ik vrees ervoor.

 

Maar hoezo, vroeg ik hem, bent U dan niet steeds bezig met andermans zaken en problemen? Bent U niet steeds bezig met zaken die uiteindelijk weinig interessant zijn?

 

Welja, antwoordde hij, U hebt volkomen gelijk. De meeste zaken zijn oninteressant: wij interesseren er ons dan ook niet aan, en dat maakt dat ons beroep minder belastend is dan hetgeen U meent.
Ik vond dat hij de zaken nogal licht opnam. Om over iets anders te spreken vroeg ik om zijn werkruimte te zien. Onmiddellijk antwoordde hij mij dat hij geen bureau had, en trouwens ook geen bibliotheek. Hij schreef zijn arresten in zijn eetkamer, met de hand, want hij had ook geen computer.

 

Het uur vorderde. Ik zag dat mijn gastheer slaap begon te krijgen. Ik wou toch nog weten of hij ooit een bibliotheek gehad had met juridische boeken. Ja, antwoordde hij, lang geleden, toen ik nog zetelde op eerste aanleg. Maar veel heb ik ze toch niet moeten raadplegen, en ik heb ze dan ook aan de balie verkocht. En ik treur er niet om: wij, magistraten, maken ons niet druk om een nutteloze wetenschap. Wat kunnen we doen met al deze boekdelen en boekdelen wetten, rechtsleer en rechtsspaak? Bijna alle zaken zijn hypothetisch en wijken van de algemene regel af.

 

Ik toonde hem mijn verbazing. Waarom, zei ik hem, zijn er wetten indien ze geen toepassing zouden vinden? En hoe kunt u onze wetten toepassen indien u ze niet kent?

 

Ah zei hij, mijn beste stafhouder, maar wij hebben levende boeken, dat zijn de advocaten. Zij werken voor ons en geven ons de nodige informatie over de zaken die we moeten berechten.

 

Het was toen voor hem echt te laat geworden, en ik verliet mijn gastheer en keerde terug naar het gerechtsgebouw om er deze toespraak te schrijven(1).

 


Geachte Openingsredenaar,

 

U hebt gelijk te stellen dat de magistraat moet opletten om zich niet door zichzelf te laten beïnvloeden en dus uiterst bedachtzaam moet omspringen met persoonlijke kennis van feitelijke gegevens die op zijn beoordeling een invloed kan hebben. En U, Voorzitter, zegt natuurlijk ook niet zonder reden dat iedereen wel zijn eigen levenservaring en wijsheid laat meespelen.

 

Maar jullie hebben beiden minder aandacht besteed aan twee aspecten die nochtans in dit debat volgens mij niet mogen ontbreken.

 

1. Eerst en vooral is er de rol van hen die uitermate van belang zijn in deze queeste naar rechtvaardigheid, dit zijn de partijen, en daarmee bedoel ik uiteraard de advocaten. Hier moet ik de openingsredenaar trouwens tegenspreken, die deze rol blijkbaar minimaliseert.


De advocaten en de feitelijke gegevens die zij aanbrengen, en ook wel de levenswijsheid die zij gebruiken om menselijke handelingen uit te leggen, zijn de leidraad voor iedere rechter.


Het is dus aan de advocaat, of eventueel het parket, maar laten we deze beide actoren voor één keer wel op gelijke voet behandelen, om aan de rechter alle elementen van een zaak te geven, daarin begrepen de eventuele psychologische en filosofische aspecten. Een rechtszaak is als een soort ketel waarin moet gekookt worden en waarin de advocaten al hun ingrediënten doen. Het volstaat nadien dat de rechter eraan proeft. Hij zal wel zeggen wie het best gekookt heeft. Deze vergelijking met de kookkunst heb ik niet uitgevonden: sprak men al niet in het commerciëel kort geding over de ‘bonus fumus juris’ om de weegschaal van de rechtvaardigheid naar één zijde te doen kantelen.


De rol van de advocaat is hierin dus primordiaal, en veel eigen inbreng van de rechter zelf ten persoonlijk titel lijkt me niet nodig indien de advocaten hun werk hebben gedaan, en dat is de verschillende ingrediënten van een zaak gebruiken. Indien de rechter zelfs maar wat peper of zout moet toevoegen is men op een verkeerd spoor geland.


2. Uiteraard zal de rechter nooit volledig neutraal zijn. Hij zal immers een keuze moeten maken in het menu. Hij zal zich daarbij natuurlijk laten leiden door zijn eigen smaak. De wijze waarop hij de hem voorgeschotelde gerechten moet proeven, bijvoorbeeld op een al dan niet nuchtere maag, is echter ook belangrijk. Er bestaan zoiets als degustatieregels.


Deze toetsing van de rechter zal immers niet volledig kleurloos gebeuren. En dit is het tweede aspect dat ik zou willen toelichten. Namelijk dat zoals elke roman ook voor een deel autobiografisch is, elk vonnis ook altijd eveneens een persoonlijke beoordeling is. Dit aspect valt uit in twee delen: de bewustwording van de realiteit, en de weergave van de kennis. De algemene vraag hierbij is welke rechter de ideale rechter is?

 

a. Moet men bijvoorbeeld een grijsaard zijn om levenswijsheid te hebben?

In mijn spiegel kijkend naar al mijn afwezig haar, zeg ik: hij is niet goed bezig (soms spreek ik tegen mezelf in de 3° persoon, om u maar te zeggen)
Wordt men wel wijzer met het ouder worden?
Hoe evolueert de mens?

Ik stel mij persoonlijk vragen bij de evolutietheorie van Darwin. Zij die deze theorie genegen zijn, zeg ik: ga naar Aalst carnaval. Vooral de maandagavond. U zult er uw dienaar tegenkomen, als observator uiteraard, als anthropoloog om zo te zeggen.

 

Misschien wordt de mens wel een aap?

 

Claude Levi Strauss, die onlangs overleden is, had er trouwens geen goed oog in. Niet dat hij Darwin in vraag stelt, ik ook niet trouwens. Maar hij toonde wel veel pessimisme tegenover onze moderne consumptiemaatschappij. Aldus schreef deze grote reiziger in zijn ‘Tristes Tropiques’ in 1955 reeds: ‘ce que d’abord vous nous montrez, voyages, c’est notre ordure lancée au visage de l’humanité’.

 

We missen niet zozeer spiritualiteit, wel bewustzijn.

 

Ons bewustzijn van de werkelijkheid, van de wereld, krimpt eerder in, hoe paradoxaal dit ook moge klinken gelet op de vooruitgang van de wetenschap.

 

Aan een rechter zou ik dus willen zeggen: wordt dus terug iets primitiever. Ooit riep ik uit ‘nous sommes tous des primitifs flamands’. De franstaligen begrepen het niet. Ze lachten ermee. U begrijpt me nu wel, hoop ik toch.


b. Eens deze rechter met de nodige primitieve bewustwording, die hij moet durven ontwikkelen, de zaak benadert, zal hij er kennis van nemen. Deze kennis wordt hem bijgebracht door de advocaten. Deze kennis dient om de waarheid te achterhalen. En met deze waarheid kan dan een rechtvaardig oordeel worden gevormd, een rechtvaardige beslissing worden genomen.

 

Maar wat is kennis? Kennis is uiteindelijk steeds uitgedrukt in een taal. Met de taal poog ik mijn werkelijkheid weer te geven (2).

 

Ook de rechter zal de hem eigen gemaakte kennis van de zaak moeten weergeven.

 

Aan de meesten van U die meerdere talen spreken en begrijpen moet ik het niet uitleggen. Taal is ook een aanvoelen, is niet betekenis op zich. Het is de betekenis die ik eraan geef. De betekenis van de taal is niet hetgeen aangewezen wordt (3). Maar omdat de taal ook een code is, mag ik de hoop koesteren dat deze taal die ik spreek ook begrepen wordt door degene die dezelfde code hanteren. Deze verschillen komen nog meer tot uiting in verschillende talen. En dit is ook een uitleg voor verschillen tussen mensen met een verschillende taal. Zo komt het dat ook de non-verbale uitdrukking, de lichaamstaal, tussen verschillende volkeren met verschillende talen niet dezelfde is.

 

Dit is dus niet zonder betekenis. Het weten van het Nederlands komt van videre, zien of gewaarworden. De ‘savoir’ van het Frans komt van ‘sapere’, dat als weten kan vertaald worden maar ook iets te maken heeft met smaak, met proeven. Wij spreken van een blaasinstrument, de franstaligen van een instrument à vent. En men kan zo verder gaan. De manier waarop we de realiteit vatten is dus verschillend. Laten we het divers noemen, en deze diversiteit, dat is mijn overtuiging, is een enorme rijkdom. Hoe meer codes men heeft om de werkelijkheid uit te drukken, hoe beter men deze ook zal weergeven voor de andere.

 

Ik geef deze werkelijkheid dus altijd weer in een taal, de taal waarin ik mij uitdruk. En de andere vat het in de taal die hij gebruikt om de werkelijkheid te begrijpen, hij vertaalt altijd in zijn innerlijke taal.


Andere talen kunnen soms enige nuancering bijbrengen, kunnen een andere belichting geven van deze door mezelf ervaren zelfde werkelijkheid. Daarom ook heeft de NOAB onlangs deze meertaligheid gevierd.

 


Om nu naar ons onderwerp terug te keren, en als het gaat om de kennis waarop de rechter zich moet steunen, zal men begrepen hebben dat de taak niet zo eenvoudig is. En dit gaat veel verder dan persoonlijke kennis en algemene kennis. Uiteindelijk is iedere weergave van kennis persoonlijk. Want wat ik begrepen heb en wil overdragen aan de rechter zal altijd gebeuren door de taal, waarvan ik het enige ijkpunt ben ten opzichte van de werkelijkheid die ik wil weergeven. Het gaat om mijn begrip, en onze taal. De kunst is begripscategorieën te gebruiken die een zo ruim mogelijk draagvlak hebben en slechts een eenvoudig taalgebruik vergen. Dit is ook de kunst voor de rechter, indien hij wenst dat zijn vonnis aanvaard wordt. Het gaat dus eventjes niet meer om persoonlijke kennis op zich, wel om het persoonlijk karakter van elke uitdrukking, van elke tekst.

 

Dat hierbij waanideeën worden geuit is juist belangrijk om de waarheid te achterhalen, of zoals Wittgenstein schreef: “om iemand van de waarheid te overtuigen kan men niet met het constateren van de waarheid volstaan, maar men moet de weg van de dwaling naar de waarheid vinden” (4).

 

Deze weg van de dwaling naar de waarheid kan men gerust het pleidooi noemen. Aldus keren we terug tot de onvervangbare rol van de advocaat. Een pleidooi, en elke redering trouwens, om te overtuigen, moet altijd de magische drievuldigheid durven hanteren van thesis, antithese en synthese. En daarin is de antithese even belangrijk als de thesis.

 


Ik weet niet of we vandaag veel gedwaald hebben. Ik feliciteer onze openingsredenaar met zijn mooi gestructureerde toespraak, en ook onze Voorzitter dank ik van harte voor zijn mooie repliek. Ik hoop dat de openingsredenaar mij zal willen verontschuldigen zijn onderwerp niet volledig gevolgd te hebben. Maar het gaat toch steeds om de zoektocht naar de waarheid en de rechtvaardigheid, in één woord de justitie. De absolute waarheid, zoals de perfecte justitie, is alleszins onbereikbaar. Maar het onderwerp moet men nooit volledig uitputten, de luisteraar moet immers niet alleen luisteren, hij moet nadien ook nog kunnen nadenken. (5)

 


Geachte toehoorders,

 

Laat me nog even toe terug te keren naar onze mooie viering van 25 jaar NOAB. Ik beweerde toen dat de NOAB het goed stelde en met evenveel optimisme de volgende 25 jaar tegemoet gaat. Ik ben nog steeds deze mening toegedaan.

 

Op vandaag hebben we 1.787 advocaten ingeschreven op het tableau, 594 stagiairs, 132 EU advocaten en 48 advocaten ingeschreven op de B-lijst. Totaal dus 2.561 advocaten, en ik reken er de ere-advocaten niet bij noch de Vlaamse advocaten die hier een twee vestiging hebben.


Ons advocatenbestand stelt het dus goed. Dit betekent echter niet dat er bij de advocatuur geen crisis heerst. Men kent ook bij ons een terugval, en sommige kantoren hebben afscheid moeten nemen van een aantal medewerkers om economische of financiële redenen, hetgeen naar ik weet vroeger nooit gebeurd was.

 

Wij moeten dus ook verder durven nadenken over onze sociale voorzieningen. Advocaten oefenen een vrij beroep uit, en dit betekent in principe dat ieder van ons vrij is al dan niet te denken aan minder gunstige dagen, en ik denk dan meer specifiek aan verzekeringen ingeval van ziekte en ongeval, of aan pensioenregelingen. Maar we zijn ook een groep, een belangrijke groep trouwens, en we moeten durven nadenken als groep om bepaalde zaken te organiseren, en verplicht te organiseren. Dit vereist ook de nodige solidariteit. We denken er dus aan om de reeks van de Onderlinge Ziekenkas te verhogen, zodat ingeval van arbeidsongeschiktheid van 66% of meer een dagvergoeding wordt uitgekeerd van 50 eur ipv 38 eur zoals dit nu het geval is. Dit is toch al een verbetering, maar brengt ons in Brussel niet verder dan het systeem dat al heerst in de meeste Vlaamse balies. We moeten echter verder durven gaan, ervoor zorgen dat elke advocaat een hospitalisatieverzekering heeft is bijvoorbeeld geen overbodige luxe, en dat hij ook een degelijke pensioenregeling heeft. Ik zal vragen aan onze commissie, onder voorzitterschap van Louis Chabert, hier verder over na te denken en zo mogelijk voorstellen te doen.


Tenslotte, beste toehoorders, kan ik niet de huidige plannen van de Minister van Justitie onvermeld laten. De oriëntatienota van de Minister draagt als titel: naar een nieuwe architectuur voor Justitie. Een apart onderdeel daarvan betreft ook tucht, evaluatie en deontologie van de magistratuur.

 

U kent waarschijnlijk allen al de hoofdlijnen van de hervormingsplannen van de minister: eenheid van rechtsmacht met integratie van eerstelijns rechtspraak, oprichting van afdelingen, herleiding van de arrondissementen, centraal loket, een vorm van mobiliteit en van specialisatie, een hof van beroep eveneens met afdelingen, een betere vertegenwoordiging van de zetelende magistratuur , gemeenschappelijke beheersdiensten, hervorming van de tucht.


Over het algemeen beschouw ik het als een grotere responsabilisering van Justitie, en ik juich dit initiatief persoonlijk toe.
Lang genoeg werd hier geklaagd over het feit dat er veel studies bleken te bestaan, maar dat het werkwoord niet meer nadenken moest zijn, maar wel doen! Welnu, de minister van justitie doet. Hij probeert dit te doen met een breed maatschappelijk draagvlak, en heeft beloofd dat alle actoren verder betrokken blijven, maar dat de politiek nu een aantal oriëntaties moet durven nemen. Alleen hoop ik maar dat deze atomiumgroep geen schaamlapje is om politieke besluiteloosheid te bedekken. Maar laten we optimist blijven.


Het woord is nu dus aan de politiek, en dat is ook goed. En de minister mag weten dat we ons achter hem scharen. Hervormingen zullen altijd wel enig verzet veroorzaken. Maar we zijn het er allemaal over eens dat hervormingen nodig zijn.


Als het ordewoord blijft dat men vertrouwen heeft in de mensen van Justitie en dat men daarom Justitie ook responsabiliseert, zullen volgens mij de hervormingen slagen. Ik blijf er immers bij dat de motivatie van de mensen de beste garantie is voor een goed functionerende justitie.


Maar laat me nu afsluiten. De eeuwige terugkeer van Nietzsche indachtig, eindig ik dan ook met deze verzen van Miriam Van hee:


Jij zegt niets terug en ik blaas
De kaarsen uit, ruim de tafel af
Ergens speelt iemand piano iemand
Die altijd herbegint.(6)

 

 

 

(1) Deze fictieve dialoog is geïnspireerd door Montesquieu, Lettres persanes, Lettre LXVII, Rica à Usbek
(2) Hetgeen hierna volgt over begrip en taal : zie Georges-Arthur Goldschmidt, A l’insu de Babel, CNRS Editions.
(3) Zie Lacan, Des noms du père.
(4) Wittgenstein, Filosofische beschouwingen, Ed. Boom-Amsterdam, p. 117
(5) zie Monstesquieu, Esprits des Lois, Livre XI, Ch XX, p. 430 bib de la pleiade.
(6) Miriam Van hee geciteerd door Hermand De Coninck, Poezie onder de melkweg, p. 185

welkom | activiteiten | openingszitting | permanente vorming | poelaertplein | contact

Vlaams Pleitgenootschap bij de Balie te Brussel vzw                                                                                                                                                                                    created by DMenP
Justitiepaleis Poelaertplein 1000 Brussel | T. 02 508 65 83 - F. 02 508 65 82 | KBO. 0408.508.372 | E. info@vlaamspleitgenootschap.be